Hart Advocaten: een PEP is hoog risico, of toch niet?

Leon Engelen

Als een Politically Exposed Person (PEP) betrokken is, gaan in de praktijk vaak direct alle alarmbellen af. Juridisch is dat te kort door de bocht: een PEP vereist verscherpt cliëntenonderzoek en kwalificeert niet automatisch als ‘hoog risico’. In een recent rapport pleit de AFM ook voor een risicogebaseerd PEP-beleid.

Voordat een beleggingsonderneming een nieuwe relatie aangaat met een klant, moet het cliëntenonderzoek uitgevoerd worden. Dit is op basis van de Wwft en de Sanctiewet verplicht voor onder andere beleggingsondernemingen. Het cliëntenonderzoek is als poortwachter een belangrijk onderdeel van het acquisitieproces. Als dan tijdens het onderzoek blijkt dat de cliënt of de UBO een PEP is gaan alle alarmbellen af: hoog risico! Toch?

Voordat ik inga op relevante ontwikkelingen over PEP’s fris ik het geheugen op over welke personen een PEP kunnen zijn. Om te beginnen: iedereen met een politieke prominente functie kwalificeert als PEP. Hieronder vallen in ieder geval — zonder uitputtend te willen zijn — personen die optreden als staatshoofd, lid zijn van het parlement, van een hooggerechtshof, bestuurder zijn van een politieke partij, van een staatsbedrijf of internationale organisatie. Vanaf medio 2027 wordt deze lijst uitgebreid door de inwerkingtreding van de nieuwe Europese anti-witwas verordening. Is de cliënt of de UBO een PEP of een familielid of naaste betrokkenen van een PEP? Dan moet een verscherpt cliëntenonderzoek worden uitgevoerd.

In de praktijk is een veelgehoord standpunt dat een PEP automatisch ook een hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering met zich zou brengen. Dit is niet juist. Een PEP vereist wél een verscherpt cliëntenonderzoek en afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek moet vastgesteld worden wat het specifieke risico is. Dit risico kan ook laag zijn. De vraag is dus niet enkel óf sprake is van een PEP, maar welk concreet risico deze persoon in de gegeven omstandigheden meebrengt. Toch zien we in de praktijk dat beleggingsondernemingen soms de beleidsmatige keuze maken dat een PEP automatisch als hoog risico wordt aangemerkt.

AFM-rapport

De AFM heeft onderzoek gedaan naar de omgang door financiële ondernemingen met PEP’s en komt tot de conclusie dat marktpartijen nog té vaak een PEP automatisch kwalificeren als een hoog risico. De AFM zegt dat een PEP niet automatisch als hoog risico moet worden aangemerkt, maar moet worden beoordeeld aan de hand van concrete risicofactoren zoals functie, betrokken land, corruptierisico en overige cliëntspecifieke omstandigheden. 

Om de markt hierbij te helpen geeft de AFM handvatten. Samengevat: de behandeling van een PEP vereist maatwerk, niet iedere PEP is hetzelfde en niet iedere PEP kent hetzelfde risico. Om dat in te schatten moeten medewerkers goed begrijpen wat een PEP is en hoe daarmee moet worden omgegaan. Dat is onderdeel van de opleidingsverplichting onder de Wwft. Een screeningstool kan daarbij helpen, maar de onderneming blijft altijd zelf verantwoordelijk voor de uiteindelijke risicobeoordeling.

Het inzetten van een externe screeningstool voor PEP’s kan nuttig zijn, maar de onderneming blijft zelf verantwoordelijk. Periodieke controle op de ingeschakelde screeningstool en de volledigheid en betrouwbaarheid van de uitgevoerde screening is hiervoor belangrijk.

Leg de screening van PEP’s daarom goed vast, inclusief de goedkeuring voor de acceptatie door het hoger leidinggevend personeel. Wij raden ondernemingen aan om op basis hiervan nog een keer kritisch te kijken naar het beleid op het gebied van PEP’s.

Vormgeving cliëntonderzoek PEP

Het cliëntenonderzoek als een PEP betrokken is, vereist dus maatwerk. Hoe kunnen ondernemingen dit in de praktijk vormgeven? Om dit te beantwoorden biedt de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) in haar document Risicogebaseerde Standaard PEP’s nuttige aanknopingspunten voor (i) de relevante risicofactoren die een rol spelen bij een PEP en (ii) de verscherpte maatregelen voor het cliëntenonderzoek. Ook voor beleggingsondernemingen biedt deze NVB-standaard een goede basis.

Om het risico van een specifieke PEP in kaart te brengen, moeten ondernemingen het gehele risico van de PEP beoordelen, waarbij niet alleen de politieke functie relevant is, maar ook de context waarin die functie wordt uitgeoefend. Daarbij spelen onder meer het landenrisico, de sector waarin de PEP actief is, eventuele negatieve mediaberichtgeving, economische banden met het land waar de functie wordt uitgeoefend, en de aard van de bestaande klantrelatie een rol. Juist die brede benadering is van belang. Een PEP met een beperkte publieke functie in een laagrisicoland en een verklaarbaar transactiepatroon, is niet zonder meer vergelijkbaar met een PEP die actief is in een corruptiegevoelige sector of in verband wordt gebracht met integriteitsrisico’s.

De verscherpte maatregelen voor het cliëntenonderzoek moeten vervolgens aansluiten bij deze risicoclassificatie. De NVB noemt in het bijzonder het onderzoek naar de bron van middelen en/of de herkomst van het vermogen. Afhankelijk van de risicoclassificatie kan het onderzoek vormgegeven worden door (i) deskresearch van externe bronnen, (ii) informatieverzoeken richting de klant en (iii) het opvragen van aanvullende documentatie. Bij een laag of neutraal risico kan de onderneming in beginsel voortbouwen op reeds beschikbare cliëntinformatie en deskresearch, zolang die informatie voldoende actueel en overtuigend is. Bij een hoog risico ligt dat anders. Dan is een intensiever onderzoek noodzakelijk.

Dit laat nog eens zien dat het cliëntenonderzoek bij een PEP geen afvinkexercitie is, maar een proportionele en goed gedocumenteerde beoordeling van het concrete integriteitsrisico.

Leon Engelen is advocaat bij Hart Advocaten, onderdeel van het expertpanel dat maandelijks een bijdrage voor Investment Officer schrijft.