Sector-ETF’s waren ooit een tactisch instrument, nu zijn ze een vaste bouwsteen. Met de Amerikaanse midterms in zicht bespreekt Antoine Lesné van State Street Investment Management wat deze verschuiving drijft.
In de Verenigde Staten stroomde er in de eerste acht maanden van het jaar maar liefst 1.400 miljard dollar naar ETF’s. Ongeveer 7 tot 8% komt terecht in sectorproducten, waarvan alleen al de technologiesector een instroom van bijna 60 miljard kende. “Als de beheerde vermogens in een stevig tempo groeien, gebruiken beleggers sector-ETF’s tactisch , maar ook als een permanente allocatie in de portefeuille”, zegt Antoine Lesné van State Street Investment Management. Lange tijd golden sector-ETF’s vooral als handig instrument voor institutionele beleggers om een portefeuille bij te sturen, bijvoorbeeld om een onderweging in financials met één transactie te dichten. “Dat is portefeuilleconstructie”, zegt Lesné. “Maar de flows in technologie laten bij uitstek zien dat beleggers sectoren ook inzetten om langdurig in te spelen op de overtuiging dat techbedrijven de winstgroei van de economie blijven aanjagen.”
Meer spreiding dan stijl en factor
Uit de cijfers komt zo naar voren dat sectoren een duidelijke rol spelen als bouwsteen van een professionele beleggingsportefeuille. Het verschil tussen de best en slechtst presterende sector in de S&P 500 bedroeg in 2022 maar liefst 105 procentpunt, tegen 24 procentpunt voor size- en stijlindices en 26 voor factoren. In 2025 was de sectorspreiding met 30 procentpunt nog altijd bijna twee keer zo groot als die tussen stijlen. Wie de juiste sector kiest, heeft dus mogelijk meer te winnen dan wie de juiste factor kiest. Tegelijk zijn de kansen voor stockpickers binnen een sector niet best. In 16 van de afgelopen 20 jaar telde de S&P 500 meer aandelen die ruim achterbleven bij hun sectorgemiddelde dan aandelen die er ruim bovenuit staken. “Een van de belangrijkste redenen om voor een sector-ETF te kiezen is dat het heel lastig is om aan te wijzen wie de winnaars binnen een industrie gaan worden”, zegt Lesné. “Je kan het mandje kopen omdat je de trend wilt vangen zonder te gokken op de winnaar.”
Bijkomend voordeel is dat de indexregels het werk doen. Beursnieuwkomers schuiven na verloop van tijd vanzelf de benchmark in, zoals eerder gebeurde met Netflix in communicatiediensten en met andere aandelen uit de Magnificent Seven. “Je maakt een actieve keuze voor een specifiek segment, maar daarna helpt de index je om de verandering in de economie te volgen”, legt Lesné uit. De sectorindeling is bovendien stabiel. Over de afgelopen tien jaar wisselden gemiddeld 7 S&P 500-bedrijven per jaar van sector, tegen 189 stijlherclassificaties. Value- en groei-indices overlappen elkaar gemiddeld voor 32% van het gewicht, terwijl sectoren elkaar per definitie uitsluiten.
Vier trends richting de midterms
Dat sector-ETF’s ook tactisch waardevol blijven, blijkt in de aanloop naar de Amerikaanse midterm-verkiezingen in november. Lesné ziet vier trends. In de eerste vormen de enorme investeringen in kunstmatige intelligentie een flinke rugwind voor de technologiesector: “AI transformeert de economie, dus de investeringen blijven hoog.” De tweede trend is deregulering. Minder strenge regels zijn gunstig voor Amerikaanse financials, al zijn de flows daar dit jaar bescheiden na een sterk 2025. De derde is moderne oorlogsvoering, die via de industriële sector of specifieker via defensie en lucht- en ruimtevaart te bespelen is. Ten slotte maakt energie het kwartet compleet, waarbij de hoge olieprijs en het conflict rond Iran voor forse tactische flows zorgen. “Als een sector 30% stijgt, kun je die niet negeren, ook niet bij een gewicht van 10%”, zegt Lesné.
Concentratierisico is een aandachtspunt, zeker in Europa waar een naam als ASML een sector kan domineren. Ucits-regels beperken het gewicht van het grootste aandeel tot 35%. In de Verenigde Staten beperken het gewicht van de drie grootste tot 50%. “Die gedwongen spreiding is precies waarom beleggers de voorkeur kunnen geven aan sectoren boven pure industrieën die sterk geconcentreerd zijn rondom een handjevol namen”, zegt Lesné. Datzelfde geldt in de vergelijking met thematische ETF’s. Een thema zoals water of cybersecurity is een aantrekkelijk verhaal voor het wealth-segment, maar institutionele beleggers wijken liever op een transparante wijze via sectoren van hun wereldwijde benchmark af. Wie een thema boven op een kernportefeuille met sectorposities stapelt, loopt het risico ongemerkt dubbel in dezelfde namen te zitten. Lesné: “De scherpe definitie van sectoren is in dat opzicht behoorlijk elegant.”
Evoluerende blootstelling
State Street Investment Management lanceerde in 1993 de eerste ETF op de S&P 500 en kort daarna de eerste reeks sector-ETF’s, later gevolgd door sectoren op MSCI Europe. Ruim dertig jaar later is de boodschap volgens Lesné onveranderd, maar de rol van het instrument is uitgegroeid van tactische bijsturing naar vaste bouwsteen: “Het gaat er niet om de ene winnaar te vinden, maar om op een evoluerende manier blootgesteld te zijn aan de veranderingen in de economie. Daar helpen sectoren je bij.”