Eduard Bomhoff
Column

Hoe onafhankelijk is de centrale bank?

De onafhankelijkheid van de centrale bank is een groot goed, want die komt de kwaliteit van het beleid ten goede. In een democratie stelt dat twee eisen: de centrale bank moet zich niet mengen in onderwerpen die buiten het mandaat vallen, en de centrale bank moet regelmatig verantwoording afleggen. Op beide dimensies zijn de afgelopen jaren fouten gemaakt.

Gezonde onafhankelijkheid van een centrale bank vereist twee dingen: geen uitstapjes van de centrale bank op terreinen die buiten het mandaat vallen, en bereidheid om monetair beleid en toezicht op de financiële sector openlijk te bespreken met de betreffende Kamercommissie.

Met de aanstaande benoeming van Kevin Warsh als voorzitter van de Federal Reserve ziet dat er goed uit. Warsh heeft de afgelopen jaren het beleid van de Fed op twee hoofdpunten bekritiseerd: te lang volgehouden ‘quantiative easing’ en te veel nadruk op ‘forward guidance’ van de korte rente. Dan zal hij zeker ook bereid zijn om zelf met kritiek om te gaan. Warsh heeft ook duidelijk gesteld dat de Fed zich tot haar eigenlijke taken moet beperken.

Ik geloof niet dat Nederland ooit een president van De Nederlandsche Bank heeft benoemd die vooraf kritiek uitte op het beleid van DNB. Wat Olaf Sleijpen wel doet, is een nieuwe koers uitzetten. In november kondigde hij bijvoorbeeld aan het personeelsbestand te willen verminderen.

Wat onder Sleijpen ook moet verbeteren is de verantwoording van DNB jegens het parlement. De gesprekken tussen president Knot en de Tweede Kamer werden door DNB betiteld als ‘rondetafelgesprekken’. Daarmee gaf Knot volgens mij aan – net als zijn voorgangers Wellink en Duisenberg overigens – dat hij niet de verplichting voelde in te gaan op alle mogelijke vragen van de Kamerleden. 

De vormgeving van de relatie tussen DNB en parlement zou moeten veranderen in de richting van de Federal Reserve, waar de Chairman twee keer per jaar verschijnt in een hoorzitting. Het mag duidelijk zijn dat DNB in het monetaire beleid de ECB volgt. Maar het toezicht op de banken blijft goeddeels een nationale verantwoordelijkheid. Dat geldt zeker voor het toezicht op de pensioenfondsen, al was het alleen maar omdat nergens anders in West-Europa dat toezicht onder de centrale bank valt. En daarover hoort DNB in een democratie verantwoording af te leggen (met begrip – waar toepasselijk – voor vertrouwelijkheid, maar dat is een probleem bij banken, niet bij pensioenfondsen).

Kamerleden zouden bijvoorbeeld kunnen vragen waarom DNB accepteert dat de meeste pensioenfondsen, waaronder ABP en PFZW, met jaarverslagen komen waarin een onafhankelijke beoordeling van de resultaten ontbreekt. ABP realiseerde vorig jaar een rendement van -1,6 procent; PFZW nog slechter met -3,9 procent.

De Kamer moet niet op de stoel van de beleggers gaan zitten, maar kan zeker aan DNB vragen of die fondsen correcte benchmarks hanteren en zichzelf niet te gemakkelijk een voldoende rapportcijfer geven. Onafhankelijke ‘custodians’ zijn daarbij onmisbaar.

Onder president Sleijpen kan DNB zich weer scherper richten op monetair beleid en toezicht en wat betreft de pensioenfondsen moet de Kamer hem gericht ondervragen over de zo vaak slechte beleggingsresultaten. Dan is onze centrale bank ook weer terug bij haar eigenlijke taken, en laat de president zien dat hij ieder jaar het vertrouwen kan winnen voor zijn mandaat.

Eduard Bomhoff is voormalig hoogleraar monetaire economie en was in het verleden bestuurder bij twee grote pensioenfondsen.